Symposium ‘Slim Circulair bouwen met beton’: van ambitie naar praktijk
Op 5 oktober 2026 vond in het gerenoveerde Collegezalengebouw van de Universiteit Leiden het symposium Slim circulair bouwen met beton plaats. Het symposium werd georganiseerd door het Cement&BetonCentrum, Vakblad Cement en Tektoniek en bracht professionals uit de gehele beton- en bouwketen samen rond één centrale vraag: hoe kunnen we de bestaande waarde in gebouwen, constructies en materialen beter benutten om te komen tot een circulaire gebouwde omgeving?
Het programma richtte zich op concrete praktijkvoorbeelden en liet zien dat circulair bouwen steeds meer verschuift van inspirerende ambitie naar een realistische strategie voor waardebehoud, grondstofbesparing en CO₂-reductie.

Waardenbehoud als uitgangspunt
Dagvoorzitter Cindy Vissering opende het symposium en verwelkomde een gevarieerd publiek van opdrachtgevers, architecten, constructeurs, ontwikkelaars, producenten, onderzoekers en vertegenwoordigers van overheden. Daarmee was vrijwel de gehele betonketen in de zaal vertegenwoordigd.
Als inhoudelijk vertrekpunt introduceerde Vissering het bouwwaardenmodel voor de betonketen. Dit model beschrijft verschillende niveaus van waardenbehoud, variërend van het behouden van complete gebouwen en constructies tot het terugwinnen van grondstoffen voor nieuw beton. Juist deze verschillende niveaus vormden de rode draad door het programma.
Dat het symposium plaatsvond in het Collegezalengebouw van de Universiteit Leiden was geen toeval. Het gebouw zelf vormt een overtuigend voorbeeld van circulair denken. De bestaande betonconstructie bleef behouden, terwijl grote delen van het gebouw werden gestript en vernieuwd om het energiegebruik drastisch te verlagen.

Circulariteit als businesscase
De eerste inhoudelijke bijdrage kwam van Menno Rubbens, directeur van cepezed en cepezed projects, met zijn presentatie De circulaire businesscase. Rubbens schetste hoe cepezed zich sinds de oprichting in 1954 heeft ontwikkeld van architectenbureau tot een organisatie die steeds nadrukkelijker inzet op circulaire ontwikkeling en uitvoering van projecten.
Hij plaatste zijn verhaal in het perspectief van het mondiale carbon budget. Volgens Rubbens verbruiken we nog altijd meer CO₂-ruimte dan beschikbaar is om klimaatdoelen te halen. Daarmee is circulair bouwen niet langer een keuze, maar een noodzaak. Daarbij verwees hij naar inspirerende denkers en auteurs, waaronder Stewart Brand, die het belang van aanpasbare en langdurig bruikbare gebouwen benadrukken.
Een van de bekendste voorbeelden die Rubbens presenteerde was de tijdelijke rechtbank in Amsterdam. Dit gebouw werd vanaf het ontwerp opgezet volgens circulaire principes. De constructie werd zo ontworpen dat materialen en onderdelen later eenvoudig konden worden gedemonteerd en opnieuw toegepast. De hoofddraagconstructie moest in principe een onbeperkte levensduur kunnen hebben. Het gebouw bevatte onder andere demontabele kanaalplaatvloeren. Inmiddels is de rechtbank volledig gedemonteerd en elders opnieuw opgebouwd. Door de aanwezige restwaarde kon het gebouw zelfs met korting aan het Rijksvastgoedbedrijf worden aangeboden.
Ook het Zuiderstrandtheater in Den Haag illustreert volgens Rubbens de economische kansen van circulair bouwen. Het gebouw werd overgenomen van de gemeente Den Haag en vervolgens zorgvuldig gestript. Een groot deel van de materialen krijgt een tweede leven in een nieuw theater in Oss.
Tijdens de discussie werd een belangrijke vraag gesteld over de verhouding tussen de kosten van opslag en transport van gebruikte elementen en de aanschaf van nieuwe materialen. Rubbens erkende dat deze projecten financieel vooral aantrekkelijk zijn wanneer vooraf al bekend is waar de elementen opnieuw zullen worden toegepast. Opslag zonder duidelijk toekomstig project blijft economisch lastig. Ook werd verduidelijkt dat herbruikbare elementen juridisch niet als afval worden beschouwd zolang ze niet worden gerecycled. Voor het theaterproject in Oss neemt de gemeente de opslagkosten voor haar rekening.
Volgens Rubbens vraagt circulair bouwen uiteindelijk vooral om een andere manier van denken. In plaats van te ontwerpen met onbeperkt beschikbare nieuwe materialen moeten ontwerpers leren werken met wat reeds aanwezig is.
Hergebruik van constructieve elementen
Vervolgens nam Pim Peters van IMd Raadgevende Ingenieurs het woord. Zijn presentatie richtte zich op het hergebruik van constructieve elementen. Ook Peters begon met de noodzaak van CO₂-reductie en stelde dat de bouwsector zich midden in een overgang bevindt van een lineaire naar een circulaire economie.
Aan de hand van een voormalig KPN-kantoor liet hij zien hoe potentieel waardevolle constructies nog altijd verloren gaan. Voor het gebouw was een plan ontwikkeld om het casco te behouden en het pand te transformeren naar woningen. Uiteindelijk werd het toch gesloopt omdat nieuwbouw een extra verdieping verhuurbaar oppervlak opleverde. Volgens Peters begint dergelijke vernietiging van bruikbare constructies steeds meer op een milieudelict te lijken.
De hoogste vorm van circulariteit is volgens hem, in lijn met het Bouwwaardenmodel, adaptief bouwen: gebouwen zodanig ontwerpen dat zij gedurende honderden jaren verschillende functies kunnen vervullen. Daaronder volgt remontabel bouwen, waarbij onderdelen eenvoudig kunnen worden losgemaakt en opnieuw ingezet.
Met diverse praktijkvoorbeelden toonde Peters hoe hergebruik van kanaalplaten, prefab gevelelementen en stalen draagconstructies inmiddels technisch haalbaar is. Opvallend was het voorbeeld waarbij oude spoorperrons oorspronkelijk zouden worden vermalen tot stoeptegels. Uiteindelijk werden de betonelementen echter direct hergebruikt als vloer in het Hof van Cartesius en spoorrails kregen zelfs een nieuwe functie kregen als kolommen.
Een bijzonder project betreft het voormalig Provinciehuis Prinsenhof in Arnhem, waarvan dragende gevelelementen en kanaalplaten worden geoogst voor het nieuw te bouwen Circulair Centrum in Heerde. Het dragende binnenblad van de gevel wordt constructief hergebruikt, terwijl het buitenblad wordt verwerkt tot tegelmateriaal. Zelfs het isolatiemateriaal krijgt een tweede leven doordat het wordt teruggebracht tot de oorspronkelijke grondstof styreen. Daarmee ontstaat er vrijwel geen afvalstroom.
Voorafgaand aan het hergebruik zijn de elementen uitgebreid onderzocht op hun technische eigenschappen. Er werd bovendien een grote mock-up gebouwd om constructieve details te testen. Medio volgend jaar moet de realisatie starten van een achtlaags gebouw dat vrijwel volledig bestaat uit hergebruikte betonelementen. Daarmee zou een wereldprimeur worden gerealiseerd.
Uit vragen uit de zaal bleek onder meer dat de voorspankrachten in de hergebruikte kanaalplaten nog steeds overeenkomen met de oorspronkelijke ontwerpwaarden. Volgens Peters zijn de technische belemmeringen voor grootschalig hergebruik beperkt. Kosten voor opslag en logistiek vormen momenteel vaker een obstakel dan de techniek zelf. Naarmate de prijs van CO₂-emissies verder stijgt, verwacht hij dat hergebruik van constructieve elementen economisch steeds aantrekkelijker wordt.
Ook het onderwijs kwam ter sprake. Peters benadrukte dat enkele praktijkgerichte oefeningen en inspirerende voorbeelden al voldoende kunnen zijn om studenten vertrouwd te maken met circulaire ontwerpprincipes.
Het Collegezalengebouw als voorbeeld
Voor de pauze stond het gebouw centraal waarin het symposium plaatsvond. Steven Menijn van het Vastgoedbedrijf van de Universiteit Leiden verzorgde samen met architect Gert Kwekkeboom van CIVIC Architects een presentatie over de renovatie van het Collegezalengebouw.
Het gebouw dateert uit de late jaren zestig en behoort tot de oudste gebouwen op de universiteitscampus. Bij de renovatie werd ervoor gekozen de bestaande constructie zoveel mogelijk te behouden. De opbouw boven de markante betonnen schotelconstructie werd volledig gestript en opnieuw opgebouwd, met als doel het energiegebruik aanzienlijk te reduceren. Tegelijkertijd werd het gebouw aangepast aan de huidige functionele eisen. Een nieuwe trap werd toegevoegd om de bruikbaarheid en toegankelijkheid te verbeteren.
Een van de uitdagingen bleek het ontbreken van complete constructieve documentatie. Voor delen van het gebouw waren nog wel gegevens beschikbaar, maar voor andere delen moesten aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd. Het project liet zien dat hergebruik van bestaande constructies niet alleen een duurzaamheidsstrategie is, maar ook een praktisch uitvoerbare aanpak voor de verduurzaming van bestaand vastgoed.
Een nieuwe generatie ontwerpers
Tijdens een korte pitch presenteerden Nina Dilling en Petter Vonk, studenten vande TU Eindhoven, hun winnende ontwerp voor de Concrete Design Competition. Hun project, Pavilion of Waste (when demolition is inevitable), was gericht op het zichtbaar maken van de schoonheid van hergebruik.
Volgens de studenten wordt jaarlijks een enorme hoeveelheid bouwmateriaal gesloopt. Alleen al de vrijkomende hoeveelheid materiaal zou jaarlijks ongeveer vijf keer de Amsterdam ArenA kunnen vullen. Hun ontwerp wil laten zien dat hergebruikte constructieve elementen niet verborgen hoeven te worden, maar juist zichtbaar onderdeel kunnen vormen van nieuwe architectuur.
Voor hun maquette werden op schaal diverse betonelementen nagebouwd, waaronder kanaalplaten en tunnelwanden. Daarmee werd vervolgens een volledig paviljoen op dezelfde schaal van 1:20 geconstrueerd. De jury prees het ontwerp vanwege de manier waarop circulariteit werd gecombineerd met architectonische expressie.
Van betonpuin naar nieuw beton
Na de pauze presenteerde Jeannette van den Bos van Rijkswaterstaat de laatste ontwikkelingen rond hogere percentages gerecycled betongranulaat in nieuw beton.
Van den Bos benadrukte dat hergebruik van constructies weliswaar de voorkeur verdient, maar dat uiteindelijk vrijwel ieder bouwwerk ooit wordt gesloopt. Daarom is ook waardenbehoud op grondstofniveau essentieel. Het doel is om vrijkomend beton niet langer voornamelijk als funderingsmateriaal toe te passen, maar het daadwerkelijk volledig terug te brengen in nieuw beton.
Rijkswaterstaat onderzoekt deze mogelijkheden binnen verschillende pilotprojecten. Daarbij wordt gestart met een vooronderzoek naar geschikte constructies voor selectieve sloop. Vervolgens wordt het betonpuin met innovatieve technieken gebroken en geclassificeerd. De verkregen granulaten worden daarna toegepast in nieuw beton, waarvan de eigenschappen opnieuw worden bepaald.
Onder meer projecten bij de A1, A7 en A9 zijn gebruikt als proeftuin voor deze aanpak. Bij het project A9 Badhoevedorp-Holendrecht werden prefab liggers deels hergebruikt en deels gerecycled. Uit het betonpuin werden hoogwaardig grof en fijn betongranulaat geproduceerd, evenals een fijne stofrijke fractie.
De resultaten waren opvallend positief. Beton met hoge vervangingspercentages fijn en grof betongranulaat behaalde vergelijkbare waarden voor druksterkte, krimp, chloridebestandheid, thermische uitzettingscoëfficiënt en carbonatatiegedrag als referentiebeton. Alleen de elasticiteitsmodulus en vorstbestandheid lagen iets lager.
Van den Bos wees erop dat geavanceerde recycling uiteindelijk drie waardevolle producten oplevert: grof betongranulaat, fijn betongranulaat en granulaatstof. Vooral deze laatste fractie, die grotendeels uit cementsteen bestaat, biedt interessante perspectieven als vulstof of als grondstof voor nieuw cement.
Haar afsluitende boodschap was helder: met hoogwaardige recycling kan één kubieke meter vrijkomend beton in principe volledig terugkeren als grondstof voor nieuw beton.
Milieuwinst kwantificeren
De laatste inhoudelijke presentatie werd verzorgd door Iida Iloniitty van LBP|SIGHT. Zij presenteerde de resultaten van onderzoek naar de milieuwinst van circulaire betonstrategieën.
Uitgangspunt was een vergelijking tussen drie scenario’s voor een bestaande betonnen vloer van 20 centimeter dik. In het eerste scenario werd vijftig procent van de vloer hergebruikt en vijftig procent hoogwaardig gerecycled. In het tweede scenario vond volledige hoogwaardige recycling plaats. In het derde scenario werd uitgegaan van traditionele, laagwaardige recycling als funderingsmateriaal.
De verschillen in milieuprestatie waren aanzienlijk. Het scenario met gedeeltelijk hergebruik behaalde een MKI van slechts 10,75 euro per vierkante meter vloer. Volledige hoogwaardige recycling kwam uit rond 20 euro per vierkante meter, terwijl traditionele recycling ongeveer 27 euro per vierkante meter scoorde.
Het onderzoek laat zien dat hergebruik van complete elementen veruit de grootste milieuwinst oplevert. Tegelijkertijd is dit ook de meest complexe strategie. De uiteindelijke milieuwinst hangt af van factoren zoals de kwaliteit van beton en wapening, de afmetingen van de elementen, transportafstanden, opslag, benodigde aanpassingen en de aansluiting tussen vraag en aanbod.
Opvallend was dat het aandeel hergebruik een zeer grote invloed heeft op het resultaat. Wanneer niet vijftig maar vijfenzeventig procent van de vloer als element kan worden hergebruikt, daalt de MKI zelfs tot circa zes euro per vierkante meter.
Een artikel over dit onderzoek is gepubliceerd in Cement. Een link naar het artikel vind je hier:
Van ambitie naar praktijk
Het symposium werd afgesloten met een paneldiscussie waarin de centrale vraag luidde hoe de sector sneller van ambitie naar praktijk kan bewegen.
Een belangrijk terugkerend thema was dat circulariteit uiteindelijk moet passen binnen de economische realiteit van projecten. Tegelijkertijd werd benadrukt dat de omstandigheden snel veranderen. Duurzaamheid krijgt steeds meer gewicht in aanbestedingen en de oplopende kosten van CO₂-emissies zullen circulaire oplossingen verder stimuleren.
De conclusie van de middag was dat veel meer mogelijk is dan vaak wordt gedacht. De gepresenteerde voorbeelden bewezen dat hergebruik van gebouwen, constructies, elementen en grondstoffen geen toekomstmuziek meer is, maar vandaag al succesvol wordt toegepast.
Verschillende deelnemers pleitten voor het opzetten van een nationale betonbank waarin beschikbare constructieve elementen kunnen worden geregistreerd en gekoppeld aan nieuwe projecten. Een vergelijkbaar systeem zou ook kunnen bijdragen aan een betere beschikbaarheid van hoogwaardig betongranulaat. Pilots blijven daarbij noodzakelijk om ervaring op te doen en kennis verder te ontwikkelen.
Uiteindelijk werd duidelijk dat de transitie niet uitsluitend afhankelijk is van techniek of regelgeving. Minstens zo belangrijk zijn opdrachtgevers, ontwerpers, constructeurs en onderwijsinstellingen die bereid zijn anders te denken en anders te handelen.
Na een middag vol praktijkvoorbeelden, inzichten en discussies bedankte de dagvoorzitter alle sprekers met een betonnen geschenk dat bijdraagt aan de biodiversiteit: een betonnen bijenhotel. Daarmee kwam een symposium ten einde dat overtuigend liet zien dat slim circulair bouwen met beton niet langer een ambitie voor morgen is, maar nu al een milieutechnisch én economisch interessante aanpak kan zijn.
