Terugblik: LCA Symposium
De code van duurzaam beton ontcijferd

Op 3 maart 2026 bracht Cement&BetonCentrum vakgenoten bijeen bij de prachtige betonnen Villa Jongerius te Utrecht, om duidelijkheid te scheppen in het groeiende woud aan regels, normen en rekenmethodes rond duurzaam bouwen, specifiek gericht op cement en beton.

Doel: de betekenis en impact van onder meer EN 15804, NL‑PCR’s, MKI/MPG, WLC‑GWP en Europese wetgeving helder maken voor producenten, adviseurs, aannemers en opdrachtgevers.

Op het symposium werd een boekje uitgedeeld die al deze termen nog eens helder op een rij zet, handig om overzicht te krijgen en te bewaren als naslagwerk.

LCA-symposium-Edwin-Vermeulen

Onder deskundige leiding van Edwin Vermeulen

MPG-stelsel & NMD – naar betere vergelijkbaarheid en meer actualiteit

Jan‑Willem Groot (Stichting NMD) schetste hoe EN 15804 en EN 15978 het fundament vormen onder de Bepalingsmethode en de data in de Nationale Milieudatabase (NMD), en dat Europa toewerkt naar 19 impactcategorieën als gemeenschappelijke standaard voor bouwmaterialen in 2032. Deze 19 impactcategorieën stemmen overeen met set A2 vanuit de Bepalingsmethode.

De NMD telt circa 5.300 actieve milieuverklaringen en groeit door. In vergelijking met andere databases komt de NMD sterk naar voren. Vanuit Europa wordt harmonisatie met internationale databases ingezet om de vergelijkbaarheid verder te versterken.

Belangrijke ontwikkelingen rondom de database zijn: de verbeterslag rond WLC‑GWP; het actualiseren van energiedragers (cat. 3a), inclusief koppelingen naar EPG; en de renovatie‑/onderhoudsopgave in de bestaande bouw. Daarnaast wordt ingezet op betere afstemming bij systeemwijzigingen, omdat EPD’s vijf jaar geldig zijn en tussentijdse veranderingen zorgvuldig moeten worden verwerkt.

NL‑PCR Cement & EU‑PCR Beton – spelregels om appels met appels te vergelijken

Bob van Roijen (SGS INTRON) lichtte toe waarom Product Category Rules (PCR’s) nodig zijn: ze voorkomen methodische variatie en vergroten de consistentie tussen product‑LCA’s.

Onderwerpen in de NL-PCR voor cement zijn o.a. systeemgrenzen, behandeling van secundaire brandstoffen (emissietoerekening), allocatie van milieueffecten aan reststromen zoals hoogovenslak en poederkoolvliegas. In de Europese PCR voor beton is beschreven hoe carbonatatie dient te worden meegenomen in een LCA. De NL-PCR’s zijn bedoeld om nadere verduidelijking te geven en de LCA-berekening in lijn te brengen met de in Nederland gehanteerde Bepalingsmethode.

Er zijn standaardprofielen beschikbaar om mee te werken (met ruimte voor verdere specificatie). De NL-PCR Beton (die binnenkort beschikbaar komt) verwijst naar de NL-PCR Cement voor een sluitende ketenbenadering.

Impact NL‑PCR Cement – effecten op MKI, aanbesteding en innovatie

Ruben van Gaalen (EcoReview) plaatste de NL‑PCR Cement in de context van EU‑beleid (o.a. Green Deal, ETS/CBAM) en benadrukte dat Nederland al breder kijkt dan de huidige CO₂-focus in Europa doordat met de Bepalingsmethode alle impact­categorieën mee worden gewogen.

Voor producenten zonder eigen metingen gelden default emissiewaarden. Allocatie van reststromen gebeurt op basis van economische waarde, wat mede bepaalt hoeveel milieu‑impact aan een reststroom wordt toegekend. Daardoor worden er nu milieueffecten toegekend aan hoogovenslak en poederkoolvliegas.

In aanbestedingen zouden MKI‑kortingen door de hele keten heen moeten gaan werken: een hogere prijs voor producten met lagere MKI biedt ruimte voor investeringen in innovaties.

Bij CCS zijn er geen CO2-emissies naar de lucht, maar komen er wel milieukosten voor transport en opslag bij.

Europese regelgeving (CPR, CSRD, ESPR) – op weg naar geharmoniseerde productnormen

Taco van den Broek (voorzitter CEN/TC 229 /Taco2B) ging in op de herziening van de Construction Products Regulation (CPR) en de rol van CSRD en ESPR in het uniformeren van de duurzaamheidsinformatie.

De inzet: geharmoniseerde productnormen met milieueffect‑indicatoren als essentiële kenmerken, waardoor milieuprofielen onderdeel worden van productnormen en fungeren als een soort productpaspoort. In feite zijn de normen bedoeld om afspraken te maken over de communicatie over duurzaamheid van de producten.

Voor prefab en cement lopen aanvragen; bij betonmortel (EN 206) speelt de vraag hoe harmonisatie zich verhoudt tot nationale bijlagen.

Concreet zal het gevolg van het opstellen van geharmoniseerde normen betekenen dat nationale aanvullingen zoals NL‑PCR’s komen te vervallen zodra de betreffende geharmoniseerde norm (na een overgangsperiode van een jaar) van kracht is, waardoor het zaak is nuttige Nederlandse lessen in de EU‑PCR’s te verankeren.

Plafond‑ en koploperwaarden (Betonakkoord) – sturen op materiaalimpact A1–A3

Niki Loonen (TBI Bouw) presenteerde de plafondwaarden (en koploperwaarden) voor beton op A1–A3‑niveau. Deze zijn tot 2030 zonder meerekenen van CCU/CCS, om eerst maximale reductie op andere vlakken te stimuleren.

Methodisch liggen de rekenstappen voor het vastleggen van de plafondwaarden vast. De waarden kunnen verschuiven door input te wijzigen zoals effecten van zwaardere milieuklassen en hogere sterkteklassen. Voor de verschillen tussen prefab (meer emissies in A3) en transportbeton (meer emissies in A5, wat niet meegenomen wordt in deze vergelijking), is er een toeslagpercentage voor prefab voorzien.

De producent toont de impact bij voorkeur aan met een EPD (zonder wapening); de aanpak is materiaal‑gedreven en laat zich ondersteunen met rekentools (zoals de ‘groen beton’‑tool).

Uit de zaal kwam de aanvullende opmerking dat alleen sturen op lage milieukosten mogelijk een gevaar oplevert voor de kwaliteit en levensduur van beton. Loonen benadrukte dat er niet wordt ingeboet op de kwaliteit zoals in normering vastgelegd.

Discussiepanel: hele levenscyclus meenemen, handhaven op realisatie en ruimte voor innovatie

In de paneldiscussie klonk brede steun om verder te kijken dan alleen A1–A3, omdat emissies en effecten ook in latere modules optreden, die voor een goed vergelijk zeker meegenomen dienen te worden. Voor beton is de impact van de modules C en D bijvoorbeeld relatief laag, maar dat geldt niet voor alle materialen waarmee beton vergeleken wordt, en dus kan dat een scheef beeld geven.

Aanbestedingen op MKI zouden sterker op gebouw‑/projectniveau moeten sturen, met handhaving op wat daadwerkelijk wordt gebouwd (niet alleen op papier ingediende varianten).

Nieuwe ontwikkelingen zoals de toepassing van biochar in beton vragen om zorgvuldige beoordeling van toekenning van biogene CO₂ en duurzaamheid versus kwaliteit en levensduur.

Schaarste en daardoor import van grondstoffen zullen in de tijd effect hebben op toerekening van impact en allocatie. Op die manier zou door marktwerking niet alleen op projectniveau maar ook op de landelijke (en mondiale) impact kunnen doorwerken. Of dit proces snel genoeg gaat is de vraag die open blijft staan.

LCA-Symposium_discussiepanel

Discussiepanel v.l.n.r. Bob Roijen, Niki Loonen, Taco van den Broek, Jan-Willem Groot en Ruben van Gaalen

Tot slot

Het symposium maakte duidelijk dat de sector snel zal opschuiven naar EU‑harmonisatie met transparante, vergelijkbare LCA‑gegevens, terwijl PCR’s en plafondwaarden de markt nu al richting geven aan (communiceren over) een lagere milieu‑impact.

Vooruitkijken betekent: datakwaliteit op orde, ketenafspraken borgen, en sturen op de hele levenscyclus—waarin innovaties hun waarde kunnen bewijzen én breed toepasbaar worden.

Nog eens al de regelgeving en termen duidelijk op een rijtje doorlezen? Download dan de publicatie: ‘De code van duurzaam beton ontcijferd’ om deze onderwerpen nog eens rustig na te lezen.

Mock-up-LCA-boekje V2